Pedagogisch Beleid

Pedagogisch Beleid

Het pedagogisch beleid gaat op in de 4 competenties uit de wet Kinderopvang, waar alle dagverblijven vanaf 2005 mee te maken hebben. De competenties zijn: sociale veiligheid, sociale competenties, persoonlijke competenties, en overdracht van normen en waarden.

 

Sociale veiligheid

We vinden het erg belangrijk in de groep een sfeer te creëren van veiligheid en vertrouwen. In de eerste plaatst speelt de leiding van de groep hierin een belangrijke rol. Elke kind wordt opgevangen door vaste leidsters. Zo kan het kind een band met hen aangaan, en voelt het zich vertrouwd zichzelf te laten zien. Als de leidsters ziek of met vakantie zijn, hebben we een vaste invallijst die we bellen voor vervanging. Voordat de plek van start gaat, heeft een van de leidsters met de ouders een intake gesprek. Hierin wordt onder andere verteld welke activiteiten we met de kinderen ondernemen, hoe ons slaapritueel verloopt, maar ook praktische informatie als wat gebeurd er als het kind koorts krijgt of als een ouder te laat is met ophalen. Ook vraagt de leidster hoe het thuis gaat en of ouders al bepaalde rituelen hebben ingebouwd. We proberen vooral in de beginperiode thuis en het dagverblijf zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. Dan zal het kind zich ook makkelijker thuis voelen op het dagverblijf. De eerste keer komt het kind een paar uurtjes, en de keren daarop wordt dit steeds verder uitgebreid. De vierde keer komt het kind een hele dag, en is het meestal aardig gewend aan de andere geluiden, leidsters en kinderen op de groep. De leidsters proberen zo veel mogelijk geborgenheid te geven en nemen de kinderen lekker op schoot of leiden ze af met een spelletje als ze het nog moeilijk vinden om afscheid te nemen van hun papa of mama. Dit hoort ook bij zo' n overgang van thuis naar het dagverblijf, helemaal als ze al wat ouder zijn. Meestal zijn de traantjes weer snel weg en gaat het kind op in alle activiteiten van de dag.

We hebben een horizontale groepsindeling, wat betekent dat er altijd een aantal kinderen van dezelfde leeftijd bij elkaar in de groep zitten. Zelfs op jonge leeftijd maken de kinderen op het dagverblijf al echt vriendjes en vriendinnetjes. Ze willen dan graag naast elkaar aan tafel zitten, of spelen samen met het poppenhuis of garage. We vinden deze vriendschappen erg leuk en proberen ze dan ook te koesteren. Maar tegelijkertijd geven we de boodschap mee dat elk kind er mag er zijn en erbij hoort. En het ook leuk is wat met de andere kinderen te ondernemen. Als we met de kinderen op pad gaan, gaan we normaal gesproken met de hele groep weg. Maar binnen kunnen de kinderen zelf kiezen waar ze mee willen spelen. De een vindt een puzzeltje aan tafel heel leuk, terwijl de ander liever op de grond met de auto's speelt. In het lokaal zijn verschillende hoekjes gemaakt, waar voor ieder kind wat wils is. Van een verkleedhoek, tot de poppenhoek, tot het keukentje of de autohoek. Als ze klaar zijn met spelen, zetten ze het zelf weer in de kast voor de volgende keer. Als we gaan knutselen proberen we wel elk kind te stimuleren wat te maken. Maar meestal vinden ze dat juist hartstikke leuk, helemaal als ze het later aan papa of mama mogen geven! De leidsters nemen hierbij een ondersteunende houding aan. Ze helpen het kind het zelf te kunnen doen.

 

Tijdens de rustige momenten, bijvoorbeeld als we aan tafel zitten, komen er bij de kinderen hele gesprekken los. We letten erop dat iedereen die wat wil vertellen ook de kans krijgt, en dat de kinderen naar elkaar luisteren. Verlegen kinderen proberen we door wat vragen te stellen bij het gesprek te betrekken. Ook kun je op het dagverblijf de kinderen heel goed stimuleren samen te spelen. Door bijvoorbeeld samen een toren te bouwen of met de treinbaan te spelen. Maar ook proberen we de kinderen te leren hun eigen grens aan te geven en voor zichzelf op te komen als ze ondergesneeuwd dreigen te worden door mondigere kinderen. Als we binnen spelen zien de kinderen vooral hun vriendjes uit de eigen groep. Maar buiten komen alle groepen bij elkaar, en zien ze bijvoorbeeld ook hun broertjes of zusjes. Ze vinden het meestal erg leuk om even gedag te zeggen, voordat ze weer op onderzoek uitgaan met hun eigen vriendjes.

De sociale competenties

Een kinderdagverblijf biedt een optimale gelegenheid voor het ontwikkelen van sociale vaardigheden. Gedurende de hele dag doen zich situaties voor waarin kinderen samen spelen, samen delen en samen conflicten proberen op te lossen. De leidsters zullen de kinderen hier zoveel mogelijk in begeleiden. Ze doen dit allereerst door zelf het goede voorbeeld te geven; maar ook door het gedrag van de kinderen te benoemen, het invoelingsvermogen te stimuleren en de kinderen waar nodig bij te sturen. Als een leidster bijvoorbeeld twee jonge peutertjes ziet touwtrekken om een fiets, zal ze vragen wie er eerst mee aan het spelen was, en of de ander dan over een paar minuutjes ook even op de fiets mag, want die vindt het ook zo leuk. Als de kinderen wat ouder zijn, zijn ze zelf vaak al heel goed in staat het conflict op te lossen. Als de leidster het probleem benoemt en vraagt hoe we dat nu moeten oplossen, komen ze zelf meestal al met ideetjes. En anders draagt de leidster wat bij. Als het niet opgelost kan worden, kan het ook zomaar zijn, dat er dan maar even niemand op de fiets kan spelen. Als er twee vechten om een been, gaat de derde (de leidster!) er mee heen! Dit stimuleert weer om volgende keer toch maar samen te delen.

We proberen het "samen spelen en samen delen" te bevorderen door gezamenlijke activiteiten te ondernemen zoals met z'n allen naar de speeltuin of naar buiten. Maar ook doen we activiteiten met maar een paar kinderen tegelijk, zoals verven, naar de bakker of het konijntje voeren. Het is ook fijn je even speciaal te voelen. De ene keer kiezen we een groepje kinderen uit dat veel met elkaar speelt, een andere keer juist een groepje dat wat minder met elkaar speelt. Zo beleven ze samen een "avontuur", wat hen weer bindt.
Onder andere de volgende vaardigheden hebben onze aandacht:

Leren samen te spelen en te delen
Leren elkaar te helpen
Leren luisteren naar elkaar
Leren op te ruimen en zuinig te zijn op eigen spullen en die van anderen
Als kinderen elkaar pijn doen of ruzie maken, het samen uitpraten en het weer goed maken
Respect hebben voor elkaar maar ook voor jezelf durven opkomen
Bepaalde grenzen en sociale regels leren in verschillende situaties, ze accepteren en nakomen
Leren banden op te bouwen met kinderen en volwassenen

 

De persoonlijke competenties

De persoonlijke competenties hebben we opgedeeld in de cognitieve ontwikkeling, de emotionele ontwikkeling en de motorische ontwikkeling.

Cognitieve ontwikkeling

Ieder kind ontwikkelt zich in zijn eigen tempo, op zijn eigen manier en niveau. Uitgaande van de mogelijkheden van elk individueel kind worden spelmateriaal en activiteiten aangeboden die een beroep doen op de cognitieve ontwikkeling. Wij vinden het belangrijk de kinderen de mogelijkheid te bieden zelf hun omgeving te exploreren en de mogelijkheden van diverse materialen te ontdekken. In de kasten staat het speelgoed op "pakhoogte". De kinderen mogen zelf hun speelgoed uitkiezen, en kunnen hier dan op de grond, aan een klein tafeltje of aan de grote tafel mee spelen. Maar ook zijn ze vaak in een van onze speelhoeken te vinden, en bakken bijvoorbeeld taarten in de keuken, of doen de baby in bad. En als ze moe zijn van al dat gespeel kruipen ze tegen ons aan op de bank en lezen we een boekje voor.

De ene keer spelen spelletjes samen met de kinderen, zoals memorie of kwartetten. Een andere keer maken ze individueel een puzzel, spelen ze met letters, hamertje tik of lezen ze een boekje. We hebben verschillende moeilijkheidsgraden in de puzzeltjes en spelletjes, en helpen de kinderen steeds weer wat nieuws te ontdekken. De jongste kinderen bieden we een puzzel aan die bestaat uit losse, enkele figuren. Als ze ouder worden kunnen ze ook puzzels maken die uit meerdere stukjes bestaan die aan elkaar passen. De oudste kinderen maken soms puzzels die wel uit 36 delen bestaan, of bijvoorbeeld 3-dimensionale puzzels!
Eigenlijk stimuleren we de cognitieve ontwikkeling van kinderen spelenderwijs de hele dag door. 's Ochtends gaan we bijvoorbeeld alle namen af en tellen we met z'n allen hoeveel kinderen er die dag zijn. Als we het fruit gaan schillen mogen een paar kinderen meehelpen en tellen we hoeveel stuks fruit 2 appels, een banaan en een peer bij elkaar zijn. En als we de sapbekers uitdelen benoemen we de kleuren van de bekers. Als we muziek maken benoemen we de instrumentjes en als we buiten wandelen vragen we wat het is dat we om ons heen zien. Maar ze leren ook wachten tot ze aan de beurt zijn, bijvoorbeeld als de fruitschaal 's ochtends een rondje langs elk kind maakt, of iedereen tegelijk wil vertellen waar ze het weekend geweest zijn.
De leidsters sluiten aan bij wat het kind al kan. Van daaruit proberen ze het kind steeds wat uit te dagen. Ze blijven in de buurt om complimentjes te geven of een puzzelstukje net wat voordeliger neer te leggen en het kind het zelfvertrouwen te geven te durven groeien. Zo zal het kind zijn eigen grenzen blijven verleggen en ervaren dat het goed bezig is. En dat het niet erg is als het een keertje niet lukt. Want dan is er altijd iemand in de buurt om te helpen tot het die keer daarop wel lukt.

Emotionele ontwikkeling

Wij vinden het belangrijk dat het kind zijn emoties kan uiten. Daarom proberen we op de groep een sfeer te scheppen van veiligheid en geborgenheid en leren de kinderen respect te hebben voor elkaars gevoelens. Door erover te praten proberen we de emotie van het kind een plek te geven. De wat oudere kinderen stimuleren we hun emoties te verwoorden. We proberen er bijvoorbeeld achter te komen waarom een kind boos of verdrietig is en zoeken dan samen naar een oplossing. Soms zal het kind het willen uitpraten, een andere keer wil het gewoon zijn boosheid uiten, even alleen zijn, of juist persoonlijke aandacht. Ons uitgangspunt hierbij is dat we per moment en per kind bekijken hoe we op een goede wijze op de emoties van het kind kunnen reageren.


Motorische ontwikkeling

Grove motoriek

Gedurende het eerste levensjaar ontwikkelt het kind zich zeer snel en is de motorische ontwikkeling van maand tot maand te volgen. Het kind beschikt nog vrijwel uitsluitend over een grove motoriek. Deze bestaat onder andere uit zwaaien, kruipen en gaan staan. De leidsters stimuleren de motorische ontwikkeling met name door het aanbod van divers, op het kind afgestemd spelmateriaal. Zoals; een rammelaar, babyschommel, loopkar, en voor de ouderen kinderen een glijbaan, schommel, de trap opklimmen, etc. Ook wordt tijdens het buitenspelen, bij sportactiviteiten en in zang- en dansspelletjes aandacht besteed aan de grove motoriek.


Fijne motoriek

De fijne motoriek bestaat uit kleine bewegingen die je met je handen en vingers maakt. De fijne motoriek wordt gestimuleerd door met kinderen te knutselen, tekenen, puzzelen, in de tuin te werken en te bouwen met constructiematerialen en dergelijke.
Verder proberen we de kinderen in de dagelijkse dingen als eten, melk inschenken en aankleden steeds meer zelfstandigheid mee te geven.

Overdracht van normen en waarden

Om de kinderen bepaalde normen en waarden mee te geven die in onze samenleving belangrijk worden gevonden, is het ten eerste belangrijk zelf als leidster het goede voorbeeld te geven. Kinderen leren op jonge leeftijd vooral door het in zich opnemen van wat er in de wereld om hen heen gebeurt. Leidsters zijn zich erg bewust van hun voorbeeldfunctie, en naast dat ze letten op hun tafelmanieren of omgangsvormen, staat voorop het kind en collega's te behandelen zoals je zelf ook het liefst behandeld zou willen worden. Normen en waarden die wij belangrijk vinden zijn onder andere: niet vloeken, het vragen als je iets wilt hebben, opruimen na het spelen, tafelmanieren (de eerste boterham met een vorkje, eerst de korstjes opeten, aan tafel blijven zitten en met de mond dicht eten), niet slaan of schoppen en je excuses aanbieden of een kusje geven om het weer goed te maken als er iets vervelends gebeurd.

We proberen de kinderen zo veel mogelijk op een positieve manier te benaderen. Complimentjes blijven beter hangen dan straf en ieder kind wil graag geliefd zijn (en blijven!). Als ze rustig aan spelen zijn, zeggen we regelmatig hoe fijn we dat vinden. Als ze een moeilijke puzzel maken, hoe knap ze zijn, en als ze samen delen hoe lief ze voor de ander zijn en hoe leuk het is dat je er nu samen van kunt genieten. Maar natuurlijk gebeuren er ook wel eens dingen die niet door de beugel kunnen. Bijvoorbeeld als er speelgoed wordt afgepakt, een ander kindje wordt omgeduwd of iemand niet mee mag doen met een spelletje. Dan geeft de leidster aan dat ze dat gedrag niet leuk vindt, omdat het iemand anders pijn doet of niet aardig is. Een ouder kind zal ze proberen zelf onder woorden te laten brengen wat er gebeurt en waarom dat niet kan. Daarna krijgt het kind een waarschuwing, waar een consequentie aan is gekoppeld. Wat de consequentie zal zijn, is afhankelijk van de leeftijd en het gedrag van het kind. Een leidsters kan bijvoorbeeld zeggen: Je kunt niet zomaar speelgoed afpakken, want daar was Robin al mee aan het spelen. Dan zul je even moeten wachten tot hij klaar is, of vragen of je met hem mee mag doen. Als je het nog een keer afpakt, kom je maar even bij mij aan tafel zitten. We voeren daarna uit wat we zeggen. Als het kind het korte tijd later nog een keer doet, zal het inderdaad even aan tafel komen te zitten. Zo leert het kind dat er consequenties aan zijn acties vastzitten. Belangrijk is om de "straf" niet te lang te laten duren, na een paar minuten zijn de kinderen vaak al weer vergeten waar ze ook al weer straf voor hadden, en werkt het niet meer. Verder maakt de leidster die het kind even apart heeft gezet, het ook altijd weer goed met het kind. Zo is het voorval afgesloten, en leert het kind dat goedmaken ook belangrijk is.

Op het dagverblijf verzinnen we activiteiten voor de kinderen aan de hand van de (Christelijke) feestdagen. Zo brengen we een maand voor Pasen de groep in de Paassfeer. We zetten Paastakken neer, verven eieren, knutselen paashazen en zingen liedjes over konijntjes of Palmpasen. Zo ook met Sinterklaas, Kerst of Nieuwjaar. De andere maanden werken we aan de hand van thema's. Dit kunnen bijvoorbeeld de seizoenen zijn. Zo zullen we tijdens het thema "lente" de kinderboerderij bezoeken, lammetjes kleuren of narcissen plakken. Maar we hebben ook het thema circus gehad, andere culturen, of vervoer. Aan de hand van de zintuigen werken we een thema verder uit, en zorgen we dat elk zintuig ruimschoots aan bod komt.